Elmo en innovatie.

En zo makkelijk is rapid prototyping! Bovenstaand prototype werd gemaakt bij het ontwerpen van nieuwe apps voor Sesamstraat en leidde tot Elmo’s Monster Maker App. Een scherm van een Iphone op A0 formaat en je kunt beginnen. Prototyping is een onderdeel van design thinking. Er zijn twee soorten prototypes. De eerste gebruik je om het speelveld te snappen: de stakeholders, de relaties, de belangen en de behoeften. Vandaag sprak ik in de Hanze Ontwerpfabriek met vier enthousiaste studenten die een idee hebben voor jeugdvoetballers. Ze (de studenten) hebben er baat bij een prototype te maken van het speelveld met daarin de spelertjes, de clubs, de ouders, de leiders, de jeugdbesturen, de scouts, de kleine clubs, de grote clubs en de betaald voetbalorganisaties, de sponsoren en de vrijwilligers. Op basis van die inzichten kunnen ze oplossingen bedenken. De innovatieve en realistische oplossingen kunnen ze vervolgens prototypen. Dat is de tweede soort: een eerste versie van het product of de dienst die je hebt bedacht. Het filmpje hierboven komt uit een mooie presentatie van Tina Seelig van Stanford. Ze heeft een model ontwikkeld dat zeer geschikt is als starpunt van een gesprek over innovatie in een organisatie. Het model laat zien dat je op verschillende manieren kan beginnen met het beïnvloeden van creativiteit in je organisatie. Het is daarmee een positief model: het biedt gelegenheid om groot en klein te beginnen daar waar je kansjes ziet. Hupsakee.

geen project, geen idee, slechts nieuwsgierigheid.

In de minor da Vinci zijn we over de helft. Het is een programma van 5 maanden waar 32 studenten van verschillende opleidingen en hogescholen zich ontwikkelen in de richting van het profiel van de innovatie professional. Ze komen van verschillende opleidingen, werken aan verschillende ideeën, problemen, projecten en uitdagingen. Voordat ze met de minor starten hebben ze over het algemeen het belang leren zien van eerst denken en dan doen. Het belang van projectmatig werken. Ze hebben geleerd dat je doelen en resultaten SMART moet formuleren, dat je de toekomst moet proberen te voorspellen en dat je van algemeen naar specifiek gaat. Belangrijke inzichten en vaardigheden. Vandaag sprak ik met twee van de studenten. Ze studeren vastgoed en Makelaardij. Ze hebben interesse in eenzaamheid bij ouderen. Afgelopen week gaven ze aan wat vast te lopen: ‘we weten niet precies wat we moeten doen’ en ‘we weten nog niet precies wat ons project wordt’. Wat we ze proberen te laten zien is dat je soms beter met nieuwsgierigheid kunt beginnen. Punt. Wat is eenzaamheid? Wie heeft er last van eenzaamheid? Welke oplossingen zijn er al en hoe werken die? Wat zeggen landelijke en lokale overheden? Is er ook een Ted Talk over eenzaamheid? Kennen we zelf oude mensen? Kennen klasgenoten wellicht verhalen of hebben ze zelf ervaringen met opa’s en oma’s? Het enige besluit dat we ze proberen te laten nemen is: ik ga verstand krijgen van eenzaamheid door te kijken, te luisteren, te vragen en te lezen. Tom Kelley van IDEO geeft in een van zijn boeken de tip om je altijd en overal te gedragen als een reiziger, een vreemdeling. Het idee achter dit advies is dat je in een vreemde omgeving beter kijkt, observeert en je je dingen afvraagt. Op vakantie heb je vaak meer tijd om stil te staan, te kijken en na te denken. Mijn moeder besloot jaren terug dat het tijd was om te leren met een computer om te gaan. Mijn broer studeerde informatica en werd automatisch de adviseur in dit leerproces. Op enig moment voerden ze het volgende telefoongesprek: “ik wil de computer uit doen, hoe doe ik dat?”. “Je klikt op Start links onderin het scherm”. “Nee, ik wil hem uit doen?”. “Ja, duidelijk maar je moet op Start klikken”. “Dat is toch onlogisch?”. Dat is het inderdaad. Door te luisteren en te kijken verzamel je nieuwe inzichten en dan kun je wel bepalen wat de richting wordt en wat een concrete en waardevolle vraag is. Tim Brown van Ideo verwoordt het als volgt “Empathy is at the heart of design. Without the understanding of what others see, feel, and experience, design is a pointless task“. In zijn verhaal gebruikt Brown een indrukwekkende video van Cleveland Clinic waarin je ziet wat de verschillende mensen in een ziekenhuis ervaren. Kippevel. Als je daar waarde kan toevoegen 2 keer kippevel.

“Well, what else was happening all this time?”

Deze vraag komt uit het prachtige boekje ‘Humble Inquiry – The gentle art of asking instead of telling‘ van Edgar H. Schein. Zijn vrouw en hij pasten op hun kleindochter. Ze struikelde en viel met haar hoofd op een glazen tafel. Een grote snee was het resultaat en hechten was noodzakelijk. Ze wonen landelijk en de lokale dokter kon niet komen. Het kostte ze drie uur om naar het ziekenhuis te rijden. In het ziekenhuis duurde het twee uur en samen met de terugrit van drie uur werd het laat. Heel laat. Ze kwamen ’s nachts thuis. De volgende dag vertelde Schein dit aan een vriendin (‘we told her about our awful evening‘) en die stelde de vraag “Well, what else was happening all this time?”. Ze waren even stil en beseften dat ze afgezien van de schrik bij hun kleinkind en bij henzelf een hele bijzondere dag hadden beleefd. Samen met hun kleindochter. Ze was vrolijk, spraakzaam, grappig en het was echt gezellig. Vanmiddag las ik een tweet ‘bezig met onderwijsontwikkeling in het HBO?’. Dat trok mijn aandacht. In de tweet stond een link naar een inspirerende video over de zogenaamde Waterloo Region in Canada. Dit is de plek waar Blackberry het licht zag. Het ging slecht met Blackberry en dat wierp een schaduw over het gebied. In de video wordt het antwoord op die mooie vraag ‘Well, what else was happening all this time?’ gegeven. Er kwamen talenten beschikbaar voor andere bedrijven, het was voor mensen het moment om zelf te starten en start ups konden nu talenten aannemen. Daarbij hielp en helpt het enorm dat de universiteit faciliteiten bood / biedt voor studenten om te starten, te ontdekken en te onderzoeken. Geen ingewikkeld aanbod met afspraken over intellectueel eigendom maar een gemeenschappelijk belang. Ik ben een nuchtere Noorderling en geloof niet in toeval maar ik kan het verhaal wel mooier maken. Dat zit namelijk zo. De tweet was van Mark Vletter, de eigenaar van Voys. Een van mijn studenten vroeg mij een tijdje geleden ‘ken je nog een bedrijf met een bijzonder HR beleid?’. Ik vertelde haar over Voys (wat ik er van wist) en niet lang daarna had ze het zelf geregeld: een stageplaats bij Voys. Deze student leende ooit een oud boekje van mij van Edward de Bono. In dat boekje legt de Bono uit dat je kunt vragen wat er goed ging en/of wat er slecht ging maar dat je nog veel beter kunt vragen ‘wat is er interessant aan?’. Het boek van Scheiner kan ik aanraden. Al was het alleen al vanwege de prachtige kaft.
51vO3tAAbjL

Ik weet het niet dus maak ik het

Vanmiddag het vak The Art of Innovation afgetrapt bij het Instituut voor bedrijfskunde. Een keuzevak. ‘ik mocht het andere vak niet meer herkansen’, ‘ik heb geen flauw idee meer waarom ik dit gekozen heb’, ‘ik wil graag eens wat anders dan luisteren en een toets maken’, ‘ik ben niet creatief, vandaar’ en ‘ik kon het vorig jaar niet afmaken’ waren de antwoorden op de vraag ‘waarom heb je dit vak gekozen?’. Reden om te beginnen met een crash course design thinking: ontwerp in 70 minuten een waardevolle en nuttige verbetering voor de portemonnee van een klasgenoot.
– interview de ander over zijn portemonnee (waar neemt zij hem mee naar toe, wat zit er in, hoe kom je er aan, waarom heb je deze gekozen, wat koste hij, waarom houd je van je portemonee, wat had je vroeger, was dat anders etc).
– kijk naar je aantekeningen. Waar zou je op door willen vragen. Wanneer was ze enthousiast of juist niet?
– Probeer te formuleren wat de ander voor behoefte heeft en waarom.
– teken in vijf minuten vijf radicale verbeterde versies.
– laat ze alle vijf zien en vraag feedback.
– gebruik de feedback voor een verbeterde versie van het beste idee en maak het. Prototypen dus.

Zodoende hebben we alle fasen van design thinking ervaren. En nu hebben we besloten dat we niet doen wat in de studiehandleiding staat. We gaan de opleiding redesignen. Huiswerk: praat met minstens tien studenten over de opleiding en alles wat daar bij hoort. We hebben 2 oren en maar 1 mond en dat zal niet voor niks zijn. En als inspiratie een goed verhaal over het re-designen van hoger onderwijs. Het zal mij benieuwen maar het komt vast goed!

de Happinez en Hans Lebbis

Vandaag in het nieuws op Radio 1: gelukstips maken je gelukkiger. De universiteit van Leuven deed onderzoek naar de maakbaarheid van geluk. Persoonlijk geluk is voor 50% genetisch bepaald, voor 10% afhankelijk van omstandigheden en de vraag was of de overige 40% te beïnvloeden zou zijn met tips om gelukkiger te worden. Luisterend naar dit bericht werd ik nieuwsgierig naar de tips die tot meer persoonlijk geluk leiden. Wie wil dat niet? Over het algemeen krijg ik bij woorden als ‘passie’, ‘dromen’, persoonlijk succes’ en de coachingkalender een sterk Cup a Soup gevoel: ‘succes is een keuze!’ zullen we maar zeggen. En dan denk ik aan Hans Lebbes en de Happinez. Maar daar straks meer over. Geluk dus. Wat voor tips zouden het zijn? Voor zover ik kan achterhalen komen de tips van mede-onderzoeker Leo Bormans, de auteur van het boek ‘Geluk, the world of happiness’. Een boek dat ik niet direct zou oppakken. Maar toen ik het volgende van Bormans las werd ik nieuwsgierig: ‘Geluk is een tweeling’. Het gaat niet alleen om jezelf, maar ook om je medemens. veel van de tips zijn gericht op het beoefenen van wat vroeger ‘deugden’ werden genoemd: dankbaarheid voor de medemens, compassie tonen voor wat anderen overkomt, vergevingsgezindheid, en dergelijke’. Ik vond 10 van zijn tips. Daar gaan we:
1. Word optimist. Optimisme is deels genetisch bepaald, maar toch kunnen we ook leren positiever te kijken naar iets.
2. Denk in oplossingen. In plaats van over problemen te zitten tobben, kunt u beter meteen overgaan naar de volgende stap: de oplossing.
3. Neem het leven niet te serieus. Natuurlijk hebben we als volwassenen een heleboel verantwoordelijkheden, maar deze kunnen ingevuld worden op een speelse manier. Relativeren helpt ook (een prachtig verhaal van Benjamin Zander over rule number 6: ‘don’t take yourself so damn serious!’.
4. Ken je eigen zwaktes. Bepaal je eigen limieten en probeer deze niet te overtreffen. Onrealistische doelen worden toch niet bereikt. Kies daarom voor haalbare doelen.
5. Dankbaar zijn. Genereus zijn, voelt niet alleen goed. Op lange termijn brengt het iets op voor uzelf.
6. Probeer gezond te leven. Hoewel het niet onmogelijk is, wordt gelukkig zijn toch moeilijk als u constant ziek bent. Slaap voldoende en beweeg geregeld.
7. Leef in het heden. Gedane zaken nemen geen keer. Het heeft dus geen zin om te blijven stil staan bij fouten of problemen uit het verleden. Teveel nadenken over de toekomst hoeft ook niet, dat baart u alleen maar extra zorgen.
8. Leer een beetje ongelukkig te zijn. “In onze maatschappij moet alles fantastisch zijn, zomaar goed is niet meer genoeg”, ondervindt psychiater Dirk de Wachter. Een beetje ongelukkig zijn, hoort nu eenmaal bij het leven (en daarvoor moet je niet naar de psychiater).
9 Grijp kansen. Geluk komt niet uit de lucht gevallen. Grijp kansen en aanbiedingen. Ga in op het onverwachte en ga uitdagingen niet uit de weg.
10. Ga over tot actie. We weten wat ons gelukkig maakt, maar toch doen we het niet.
Door tip 8 kan ik leven met deze tips. Met een beetje fantasie zouden het principes kunnen zijn die gelden voor design thinking. Het kan beter! Maar dit geschreven hebbende kan ik het als calvinistische Noorderling niet laten om nog even te genieten van Hans Lebbis die los gaat op de glossy Happinez.

Wat is een goed idee?

Gisteren gaf ik een training aan een groep docenten van verschillende opleidingen van de Hanzehogeschool. Het viel me weer op hoe gemotiveerd en gedreven veel van mijn collega’s zijn. Mooi. Het onderwerp van de training was effectuation. Een model over ondernemend gedrag van Sarasvathy dat ontstond n.a.v. een onderzoek naar het gedrag van ervaren ondernemers tijdens de start-up-fase. Studenten zeggen soms ‘ik heb een idee’. Of nog beter ‘ik heb een idee dat ik je wil laten zien en uitproberen’. De vraag aan de docenten was: welke vragen stel je aan deze studenten en welke waarde voeg je zodoende toe? Na het alleen en in stilte beantwoorden van deze vragen kwamen Martijn en Kees, twee studenten van de minor da Vinci, binnen en vertelden over hun idee. Ze bouwen een mobiele muur die je zonder schade kan plaatsen en weg kan halen en die 100% recyclebaar moet zijn. Ze hebben contact met kartonfabriek Smurfit Kappa en mogen materialen van hen gebruiken. Verder vertelden ze gesproken te hebben met woningbouwcorporaties, studentenhuisvesting, huisjesmelkers en de anti-kraak beweging. De vraag is: welke vragen ga je Kees en Martijn stellen en welke waarde wil je daarmee toevoegen? Gelukkig kwamen er vragen en geen ongevraagde adviezen. Vragen over het einddoel, of ze al bij IKEA waren geweest, wanneer de eerste muur geplaatst gaat worden en of ze een bedrijf willen starten. Ze kregen overigens wel wat (interessante) tips. In Japan wordt er bijna alleen maar met mobiele muren gewerkt. Of ze dat wisten. Dat wisten ze niet. De vraag zou dan ook kunnen zijn: is het een nieuw idee? Sir Ken Robinson werpt in zijn boek Out of Our Minds de vraag op ‘voor wie nieuw?’. Het kan nieuw voor jou zijn of voor de groep waarin je verkeert. Het kan nieuw voor het land zijn of zelfs voor de wereld. Robinson stelt dat echt iets nieuws bedenken schier onmogelijk is. Veel grote innovaties zoals het internet zijn meer een reeks van kleine innovaties. Het is veel interessanter om te kijken naar nieuwe combinaties van bestaande dingen. Terug naar de mobiele muur. is het een goed idee? Vanuit effectuation is het vertrekpunt dat een idee goed is als de bedenker het een goed idee vindt. Dat is namelijk een voorwaarde voor het investeren van tijd en energie in het idee. Het onderzoeken van de mogelijkheden, het voeren van gesprekken met potentiële klanten, deskundigen, kenners en beslissers. Tijdens al deze inspanningen is het vervolgens wel van belang of je in staat bent om te luisteren, te leren en je idee kunt en wilt verbeteren. Vanuit de docent is het van belang om eerst kennis te maken met de student. Hoe komt hij bij het idee, waarom vindt hij het waardevol om met het idee aan de slag te gaan, wat wil hij er uit halen, wat zijn zijn drijfveren en wat is zijn zogenaamde affordable loss (het maximale dat hij bereid is te riskeren voor dit idee). En de vraag of het een goed idee is, hoeft niet beantwoord te worden in het gesprek tussen de student en de docent of tussen de medewerker en de manager. Stimuleer de student / medewerker om met stakeholders te gaan praten. De stakeholders maken wel duidelijk welke behoeften er zijn en op welke manier je waarde kunt toevoegen. Ik herinner mijzelf geregeld aan de Stadsgarderobe van Anne Willem Pranger. Vier jaar geleden kwamen hij en vier andere studenten met het idee om een garderobe in het centrum van Groningen te openen. Een euro per jas op een A-locatie met vijf eigenaren. Ik zal maar zeggen wat ik toen dacht: om allerlei redenen een kansloos idee. Het was een geweldige en feestelijke opening en de tweede vestiging in Leeuwarden is een feit. Dus: een goed idee is goed als de bedenker het goed vindt. Een hele andere vraag is waar ideeën vandaan komen en daar is een prachtige animatie van gemaakt.

Oh ja? wat heb je dan geleerd?

Volgens mij kwam ik als student voor het eerst in aanraking met het boek ‘de lerende organisatie’ van Peter Senge. In een van zijn eerste hoofdstukken over leerstoornissen gaat hij in op het zogenaamde bedriegelijke leren. We leren het beste door ervaring maar het is soms moeilijk echt te doorgronden wat het effect is van een handeling. Wat is er nu gebeurd? Senge is een systeemdenker. In plaats van oorzaak – gevolg gaat hij uit van een systeem met variabelen die elkaar beïnvloeden. Soms is een kleine verandering van een variabele al voldoende voor een groot effect. Vanuit het systeemdenken zoek je altijd naar een duurzame verandering en is het geloof in eenzijdige ingrepen zoals het invoeren van prestatiebeloning in een organisaties of verplichte colleges in een opleiding niet groot. Een goede vraag bij indrukwekkende ervaringen is daarom ‘wat heb ik nu geleerd?’. Je deed iets (of juist niet) en toen gebeurde er wat. Senge gebruikt als voorbeeld voor het bedriegelijke leren het verhaal van een interim manager. De manager stelt veel geleerd te hebben van zijn klus. Na een paar goede vragen komt de manager niet verder dan de volgende metafoor ‘als je tegen een boom aantrapt veel lawaai maakt vliegen de vogels weg. Na een tijdje komen ze terug en gaan ze op een ander tak zitten’. Morgen mag ik op voor een proefaccreditatie. Het maakt me opstandig maar het dwingt mij en mijn collega’s ook om weer eens na te gaan waarom we doen wat we doen en welke effecten we willen en denken te bereiken met onze aanpak en methodes. Oud studenten zijn zeer enthousiast over de minor en de opbrengsten. Vanuit die positieve feedback is het verleidelijk te stellen dat we als team veel geleerd hebben. De vraag is wat hebben we waarvan geleerd? Overigens geldt hetzelfde voor de commissie die in een ochtend een beoordeling gaan geven over iets dat een half jaar duurt. Sir Ken Robinson schreef ooit dat onderwijs gaat over inhoud (curriculum), toetsing en didactiek. De meeste vragen gaan over de eerste twee. Terwijl de derde voor de kwaliteit van het programma wellicht het belangrijkste is. We zullen het zien. Spannend blijft het.
bird-flock

Mozes was een designer

Marty Neumeier’s naam kreeg ik van Cor Noltee. Cor komt een of twee keer per jaar studenten van de Hanze inspireren met zijn verhalen over design thinking (iets dat ik elke hogeschool kan aanraden). Hij maakte mij nieuwsgierig en ik begin dan meestal met een video. Een volgende stap is soms een boek. En dat gaat bij Marty Neumeier gebeuren. Heerlijk als alles in een verhaal klopt. De toon, de vormgeving, de opbouw en ga zo maar door. Neumeier legt uit dat we over het algemeen van weten naar doen gaan. We weten wat en dan doen we iets. Maar wat nou als je het niet weet en bestaande oplossingen niet voorhanden zijn, En je ook nog beseft dat geen situatie en probleem gelijk zijn? Dan is maken een goede stap. Door je verbeeldingskracht te gebruiken en ideeën om te zetten in prototypes leer je meer en kom je op onverwachte oplossingen. Neumeier zegt ‘a designer is anyone who devices ways to change existing situations in to preferred ones’. Iedereen dus. Ook mensen die op zoek zijn in of naar een loopbaan. Maar dat is weer een ander verhaal. Komende week start ik weer met een nieuwe groep studenten met het vak The Art of Innovation. En Marty heeft mij weer een boost gegeven om duidelijk te maken dat iedereen een designer kan en soms moet zijn. En wil je weten waarom Mozes een designer was? kijken maar!

Rolmodel

Gisteren ging het over modellen. Vandaag over een rolmodel. Siebert van der Veen van A.Hak was op bezoek bij de Hanze Ontwerpfabriek. Hij vertelde twee verhalen en sloot af met een uitdaging voor 100 studenten elektrotechniek en werktuigbouwkunde. Het eerste verhaal ging over de realisatie van het zoneiland bij Almere. Een prachtig verhaal over co-creatie en het lef om hulp te vragen. Het tweede verhaal ging over de reparatie van een waterleiding op 22 meter diepte in het Marsdiep, het stuk zee tussen Texel en Den Helder. Wederom co-creatie maar daarnaast ook over het vasthouden aan je principes, nee durven zeggen en een team leren samenwerken. Na deze twee voorbeelden kregen de studenten de opdracht om waarde te creëren uit de aardbevingen. Waarde voor meerdere stakeholders. Binnen anderhalf uur lagen er prachtige prototypes op tafel. Maar terug naar het rolmodel. Albert Bandura van Stanford bewees met zijn onderzoek dat een rolmodel een van de vier manieren is om je self efficacy te vergroten: ‘het vertrouwen van een persoon in de eigen bekwaamheid om met succes invloed uit te oefenen op zijn of haar omgeving, bijvoorbeeld door een bepaalde taak te volbrengen of een probleem op te lossen’. En dat is vandaag gelukt. Ik was er bij en moet weer eens in het goede verhaal van Bandura duiken.

Oh oh, een model!

In de sessie van gisteren over high performance teams stond het interessante model van Denning centraal. Het model gaat over het succes van teams en de wijze van sturing. Teams waarbij het team zelf alles regelt zijn het meest succesvol. Het model bestaat uit 4 soorten teams en 4 kernactiviteiten. Prachtig toch? Een model is een sterk vereenvoudigde weergave van de werkelijkheid. Dat maakt gesprekken over moeilijke onderwerpen als cultuur, structuur, motivatie en bijvoorbeeld gedrag mogelijk. Dat is ook prachtig. Zodra je denkt dat het model de werkelijkheid is wordt het echter vervelend. De wereld bestaat dan nog slechts uit 7 rollen, 5 types en 3 cultuurtypen. Er zijn 4 manieren van leren en 2 soorten onderwijs: oud onderwijs en nieuw onderwijs. Dat laatste vermoord veel interessante gesprekken over onderwijs. Als een bedrijf opvallend succesvol is, is er al snel een boek, een blog of een artikel waarin het succes verklaard wordt. Waarschijnlijk aan de hand van een nieuw model. Het succes wordt teruggebracht tot 10 stappen, 5 fasen of 3 ‘leading principles. En, vrijwel meteen na het verschijnen van het boek staan de eerste adviseurs klaar om de wereld te verlichten. Wat mij betreft vaak een doodlopende weg. Lynda Gratton schrijft in haar boek Hotspots over het verschil tussen een best practice en een signatuurproces. Een best practise is een methode, een manier of stappenplan dat te kopieren is. Een soort recept. Volg de aanwijzingen en je krijgt het gerecht op de foto. Vaak is het echter heel ingewikkeld om te achterhalen waarom een bedrijf ergens succesvol in is. Gratton noemt dat signatuurprocessen. Deze begrijp je pas na een maand van rondlopen in het bedrijf. Veel gesprekken voeren, observeren en heel goed luisteren. Om het verschil praktisch te maken wil ik twee situaties beschrijven waarin een nieuwe manager op haar eerste werkdag haar medewerkers toespreekt. Het eerste verhaal kreeg ik te horen van een goede collega. De nieuwe manager nam op haar eerste dag het woord in de vergadering en sprak de volgende woorden ‘toen ik vanmorgen in de auto zat, dacht ik: wat zal ik met deze toko doen?‘. Het tweede verhaal komt van mijzelf. De nieuwe manager zei aan het begin van de vergadering ‘ik hoop de komende maand van jullie te leren, wil graag meelopen en meekijken en luisteren. Over een maand wil ik graag mijn eerste beeld met jullie delen’. Gareth Morgan biedt in zijn boek Images of organisations een mooi alternatief voor de vereenvoudiging. Hij beschrijft organisaties aan de hand van verschillende metaforen. Elk hoofdstuk biedt een nieuwe bril. Zet hem op en je ziet nieuwe dingen. De organisatie als organisme, als politieke arena of als machine. Je kunt het boek van Morgan moeiteloos zelf uitbreiden met allerlei andere metaforen. Het doet recht aan de complexiteit van de werkelijkheid. En als je die complexiteit vergeet en de wereld ziet als een paar lijstjes, modellen en assen gaat het mis. laat Barry Schwartz daar nu een prachtige verhaal over vertellen. Go Barry!